Belachelijke prijs, compleet theorie pakket € 18.95. Nog 5 dagen, dit is je laatse kans
Bestel NU

Page content

Begripsbepalingen autotheorie

Begripsbepalingen autotheorie

Het kennen van deze begrippen is dus erg belangrijk omdat er verschillende weggebruikers zijn. Naast het zijn van voetganger besturen veel mensen (verschillende) voertuigen. Het kennen van de begripsbepalingen is de basis voor de verkeerskennis.

Verkeer:

Verkeer zijn alle weggebruikers.

Weggebruikers:

Weggebruikers zijn voetgangers, fietsers, brom- en snorfietsers, bestuurders van een gehandicapten voertuig, van een brommobiel, van een motorvoertuig of van een tram, ruiters, geleiders van rij- of trekdieren of vee en bestuurders van een bespannen of onbespannen wagen.  De regels voor wagens gelden ook voor door voetgangers gevormde colonnes, optochten en uitvaartstoeten voor zover deze de rijbaan volgen.

Voetgangers:

Voetgangers zijn weggebruikers die zich lopend voortbewegen. Bestuurders van een gehandicaptenvoertuig volgen echter óók de regels voor voetgangers als zij op een voetpad of trottoir rijden, of van het ene naar het andere voetpad of trottoir oversteken.
Hetzelfde geldt voor iemand die een fiets, brom-, snor– of motorfiets aan de hand meevoert, maar ook voor degene die zich verplaatst met behulp van voorwerpen die geen voertuigen zijn, zoals  rolschaatsen, skateboards, skeelers, autopeds enz. Een kind op een kinderfietsje wordt ook als voetganger beschouwd (een kind vanaf 12 jaar kan een bekeuring krijgen).

Bestuurders:

Bestuurders zijn alle weggebruikers behalve voetgangers. Personen die een kudde vee begeleiden, paarden of koeien mennen of bewaken, de man met de ouderwetse handkar, ruiters of de koetsier van de trouwkoets zijn eveneens bestuurders.

Bestuurders van motorvoertuigen

Een bestuurder van een motorvoertuig is hij die het motorvoertuig zelf bestuurt. Wordt echter rijonderricht gegeven met een personenauto, vrachtauto of autobus die voorzien is van een dubbele bediening, al dan niet met een aanhangwagen of oplegger, dan is de rij-instructeur de (juridische) bestuurder. Dat geldt ook voor de rijexaminator tijdens het rijexamen.

Motorrijtuigen.

Motorrijtuigen zijn alle voertuigen, bestemd om anders dan langs rails te worden voortbewogen, uitsluitend of mede door een mechanische kracht op of aan het voertuig zelf aanwezig, dan wel door elektrische tractie met stroomtoevoer van elders (trolleybus).
Snorfietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, brommobielen en defecte of voor de sloop bestemde voertuigen vallen ook onder dit begrip; de fiets met trapondersteuning niet.
Het begrip motorrijtuigen wordt gehanteerd in de Wegenverkeerswet 1994. Het betreft bijvoorbeeld de regels m.b.t. de algemene norm (artikel 5), het rijden onder invloed, verlaten plaats ongeval, rijbewijzen en kentekenbewijzen.

Motorvoertuigen.

Alle gemotoriseerde voertuigen behalve bromfietsen, fietsen met trapondersteuning en gehandicaptenvoertuigen, bestemd om anders dan langs rails te worden voortbewogen.
Handwagens met motorvermogen, trolleybussen, elektrowagens en tractoren zijn ook gemotoriseerde voertuigen en dus motorvoertuigen. Treinen en trams worden wel langs rails voortbewogen en zijn dus geen motorvoertuigen.
Het begrip motorvoertuigen wordt gehanteerd voor alle verkeersregels uit het RVV 1990.

 

Personenauto.

Een personenauto is een voor het vervoer van personen ontworpen en gebouwd motorvoertuig met ten hoogste acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend. Daarbij zijn verschillende carrosserietypen mogelijk.
Een kampeerauto kan ook een personenauto zijn. In ieder geval is een voertuig een personenauto als dat in het kentekenbewijs is vermeld.

Motorfiets.

Motorfiets: motorvoertuig op twee wielen al dan niet met zijspan of aanhangwagen. Let op! Een ‘scooter’ kan een motorfiets zijn of een bromfiets. Een scooter is een motorfiets als de door de constructie bepaalde maximumsnelheid meer dan 45 km per uur is of als hij een verbrandingsmotor heeft van meer dan 50 cm3.
In ieder geval wordt als motorfiets aangemerkt een voertuig dat volgens het afgegeven kentekenbewijs een motorfiets is.

Veiligheidscel

Onderdeel van de constructie van een bromfiets, een motorfiets of een driewielig motorvoertuig dat de bestuurder of passagier beschermt tegen hoofdletsel.

 

Driewielig motorvoertuig

Driewielig motorvoertuig: motorvoertuig op drie of vier wielen, niet zijnde een gehandicaptenvoertuig of een motorrijtuig met beperkte snelheid.
Heeft het drie (symmetrisch geplaatste) wielen, dan moet het een motor met inwendige verbranding hebben van meer dan 50 cm3 , of een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 45 km per uur. In ieder geval wordt als driewielig motorrijtuig aangemerkt een voertuig dat volgens het afgegeven kentekenbewijs een driewielig motorvoertuig is.

Kampeerauto

Kampeerauto: personenauto of bedrijfsauto, waarvan de constructie woonaccommodatie bevat die ten minste bestaat uit de volgende uitrusting:
  • zitplaatsen en een tafel;
  • slaapaccommodatie (die ook met behulp van de zitplaatsen mag worden gecreëerd);
  • kookgelegenheid, en
  • opbergfaciliteiten;
De genoemde uitrusting moet vast in de woonafdeling zijn bevestigd. De tafel mag echter zo zijn ontworpen dat zij gemakkelijk kan worden verwijderd. In ieder geval wordt als kampeerauto aangemerkt een voertuig dat volgens het afgegeven kentekenbewijs een kampeerauto is.

Bedrijfsauto.

Een bedrijfsauto is een voertuig dat ontworpen en gebouwd is om goederen te vervoeren. Een gehandicaptenvoertuig of een motorrijtuig met beperkte snelheid (bijvoorbeeld een landbouwtrekker) valt hier niet onder.
Bedrijfsauto’s zijn dus vrachtauto’s en bestelauto’s. Een kampeerauto kan ook een bedrijfsauto zijn. In ieder geval wordt een voertuig als bedrijfsauto aangemerkt als dit in het kentekenbewijs is vermeld.

Vrachtauto.

Een vrachtauto is een motorvoertuig, niet ingericht voor het vervoer van personen, waarvan de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 3500 kg.

Autobus.

Een autobus is een motorvoertuig dat is ingericht voor het vervoer van meer dan acht personen, onder wie de bestuurder niet is inbegrepen. Met andere woorden, elk motorvoertuig met meer dan negen zitplaatsen waarvan één zitplaats voor de bestuurder, valt onder het begrip autobus.

Lijnbus.

Een lijnbus is een motorvoertuig dat gebruikt wordt voor het verrichten van openbaar vervoer in de zin van de Wet personenvervoer 2000. Hieronder valt ook de buurtbus.

T 100-bus

In Nederland is de maximumsnelheid van autobussen in principe 80 km per uur. Met ingang van 1 mei 2005 is een nieuwe categorie bussen gedefinieerd, de T100-bus, met een maximumsnelheid van 100 km per uur. Hiervoor is een aantekening op het kentekenbewijs nodig. Dit is alleen mogelijk bij bussen zonder staanplaatsen en met veiligheidsgordels voor alle passagiers.
Aanvullend is een bandenprofieldiepte van minimaal 1,6 mm in de hoofdgroeven vereist en moet het goedgekeurde draagvermogen van de banden voldoende zijn bij een snelheid van 100 km per uur.

Voertuigen.

Voertuigen zijn fietsen, bromfietsen, snorfietsen, brommobielen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens.

Brombakfiets.

Een brombakfiets: een bromfiets op drie symmetrisch geplaatste wielen, met twee voorwielen met een diameter van meer dan 0,40 m, uitsluitend ingericht voor het vervoer van de bestuurder en van goederen en eventueel van een achter de bestuurder gezeten passagier.

Bromfiets.

 A. motorrijtuig op twee of drie wielen, herkenbaar aan een gele kentekenplaat, met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 km per uur, uitgerust met een verbrandingsmotor met een cilinderinhoud van niet meer dan 50 cm3 of een elektromotor met een netto maximumvermogen van niet meer dan 4 kW, niet zijnde een gehandicaptenvoertuig;
B. motorrijtuig op drie of vier wielen, met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid
van niet meer dan 45 km per uur, niet zijnde een gehandicaptenvoertuig, uitgerust met:
  1. een motor met elektrische ontsteking met een cilinderinhoud van niet meer dan 50 cm3,
  2. een motor met inwendige verbranding en een netto maximumvermogen van niet meer dan 4 kW voor andere dan onder 1. genoemde motoren,
  3. een elektromotor met een netto maximumvermogen van niet meer dan 4 kW.
Heeft het motorrijtuig vier wielen dan dient de ledige massa minder dan 350 kg te zijn, de massa van de batterijen in elektrische voertuigen niet inbegrepen. In ieder geval wordt een voertuig als bromfiets aangemerkt als dit in het kenteken is vermeld.

Brommobiel.

Een brommobiel is een bromfiets op meer dan twee wielen met een carrosserie. Een brommobiel zou makkelijk kunnen doorgaan voor een kleine auto. Om duidelijk te maken dat het toch om een relatief langzaam voertuig gaat zit er op de achterkant van een brommobiel een rond wit bordje met een rode rand, waarin het getal 45 staat.

Brommobielen mogen niet harder dan 45 km per uur. Bestuurders van een brommobiel volgen de gedragsregels voor bestuurders van een motorvoertuig.

Snorfiets.

Een snorfiets is een bromfiets die blijkens de gegevens in het kentekenregister of het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs is geconstrueerd voor een maximumsnelheid van 25 km per uur.

Fietsen met trapondersteuning

Dat zijn fietsen die zijn voorzien van een elektrische hulpmotor met een nominaal continu vermogen van maximaal 0,25 kW en waarvan de aandrijfkracht geleidelijk vermindert en tenslotte wordt onderbroken wanneer het voertuig een snelheid van 25 km per uur bereikt, of eerder,als de bestuurder ophoudt met trappen.   Alle fietsen mogen voorzien zijn van richtingaanwijzers.

Gehandicaptenvoertuig.

Een gehandicaptenvoertuig is:
  • ingericht voor het vervoer van een gehandicapte,
  • niet breder dan 1,10 m en
  • geen bromfiets.
Een gehandicaptenvoertuig kan zijn uitgevoerd zonder motor. Is het wel uitgerust met een motor, dan is de door de constructie bepaalde maximumsnelheid 45 km per uur. Voor gehandicaptenvoertuigen gelden een aantal verschillende maximumsnelheden.

Aanhangwagens.

Aanhangwagens zijn voertuigen die door een voertuig worden voortbewogen, zoals caravans of kennelijk zijn bestemd om aldus te worden voortbewogen, alsmede opleggers. Dit geldt ook voor dolly’s, surfkarren en dergelijke. Een surfkar achter een (brom)fiets is dus een aanhangwagen.

Motorvoertuigen die door een ander voertuig worden voortbewogen (slepen), worden ook als aanhangwagen beschouwd.

Tram

 Het begrip ‘tram’ wordt in de verkeerswetgeving niet gedefinieerd. Een tram is een voertuig dat aan zijn baan gebonden is omdat hij langs rails wordt voortbewogen die vaak in de openbare weg liggen.

Voor trams gelden afwijkingen van de regels voor voorrang, afslaan, gebruik vantram/buslichten en van een busstrook of busbaan.

 Ambulance.

Motorvoertuig, ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor ambulancevervoerals bedoeld in de Wet ambulancevervoer.

Segway.

 Een segway is een elektrisch aangedreven voertuig met twee parallel geplaatste wielen. De Segway mag vanaf 1 juli 2008 voor algemeen gebruik op de openbare weg rijden. Hieraan zijn echter wel een aantal restricties verbonden. De bestuurder moet minstens 16 jaar oud zijn maar hoeft geen helm te dragen of een rijbewijs te hebben. Reflectoren zijn wel verplicht, evenals een verzekering.
Wanneer de Segway ’s avonds gebruikt wordt, is verlichting verplicht. Verder volgen bestuurders van een Segway dezelfde regels als bestuurders van snorfietsen en mogen dus onder andere niet mobiel bellen, niet naast elkaar rijden en maximaal 25 km per uur rijden.

Voorrangsvoertuig.

Een voorrangsvoertuig is een motorvoertuig dat optische en geluidssignalen voert. Het zijn motorvoertuigen van spoedeisende medische hulpverlening, politie, brandweer en andere officieel aangewezen hulpverleningsdiensten, ook al hebben ze niet de uiterlijke kenmerken hiervan (zoals auto’s van een arrestatieteam van de politie).
De voorgeschreven signalen bestaan uit blauwe zwaai-, flits- en/of knipperlichten en een tweetonige hoorn, om kenbaar te maken dat de bestuurders een dringende taak vervullen. U moet bestuurders van een voorrangsvoertuig altijd voor laten gaan en een vrije doorgang verlenen.

Bestemmingsverkeer.

Bestemmingsverkeer zijn bestuurders die een reisdoel hebben naar één of meer bepaalde adressen die zijn gelegen aan of in de directe nabijheid van een weg met een door verkeerstekens aangegeven geslotenverklaring voor bepaalde bestuurders. Deze adressen zijn uitsluitend via deze weg te bereiken.
Bestuurders van lijnbussen mogen deze weg ook inrijden. Met het onderbord ‘uitgezonderd bestemmingsverkeer‘ onder een geslotenverklaring bent u uitgezonderd als u daar bijvoorbeeld woont, werkt, een bezoek moet afleggen of goederen moet laden of lossen.

militaire colonne.

Een militaire colonne is een aantal zich achter elkaar bevindende militaire motorvoertuigen of motorvoertuigen van een onderdeel van de rampenbestrijdingsorganisatie onder leiding van één commandant en die de volgende vastgestelde herkenningstekens voeren:
  • het eerste motorvoertuig moet zowel aan de linker– als aan de rechtervoorzijdezijn voorzien van een blauwe vlag;
  • de volgende motorvoertuigen moeten aan de rechtervoorzijde zijn voorzien van een blauwe vlag;
  • het laatste motorvoertuig moet aan de rechtervoorzijde zijn voorzien van een groene vlag.
Alle motorvoertuigen moeten steeds verlichting voeren, waarvan de rechterkoplampen blauw licht en van het laatste motorvoertuig groen licht uitstralen.

Uitvaartstoet van motorvoertuigen.

Een stoet motorvoertuigen, die een lijk of de as van een gecremeerd lijk begeleiden en die het vereiste herkenningsteken voeren. Als de stoet in meerdere delen uiteen valt, bijvoorbeeld bij een verkeerslicht, dan blijven de resterende groepen motorvoertuigen elk een “uitvaartstoet van motorvoertuigen”. Het is verboden het herkenning steken in andere gevallen te gebruiken.

Doorgaande rijbaan.

De doorgaande rijbaan is de rijbaan zonder de invoeg- en uitrijstroken. Vluchtstrokenen vluchthavens maken ook geen deel uit van de doorgaande rijbaan.

invoegstrook

Een invoegstrook is een weggedeelte dat door een blokmarkering van de doorgaande rijbaan is afgescheiden en bestemd is voor bestuurders die de doorgaande rijbaan oprijden.

Uitrijstrook.

Een uitrijstrook is een weggedeelte dat door een blokmarkering van de doorgaande rijbaan is afgescheiden en bestemd is voor bestuurders die de doorgaande rijbaan verlaten.

Spitsstrook.

Een spitsstrook is een extra rijstrook op een rijbaan van een autosnelweg. Spitsstroken kunnen zowel aan de linker– als aan de rechterzijde van de rijbaan zijn aangebracht. Wanneer een spitsstrook aan de rechterzijde is aangebracht gaat dit vaak ten koste van de vluchtstrook.
Om deze reden worden er dan ook vluchthavens aangebracht. Kenmerkend voor een spitsstrook is de dynamische openstelling.
Is de spitsstook gesloten (het is dan weer een vluchtstrook) dan tonen de matrixborden erboven een rood kruis. Dat betekent dat de strook niet als spitsstrook mag worden gebruikt. In geval van nood mag je deze natuurlijk wel als vluchtstrookgebruiken.

Spitsstrook.

Een spitsstrook is een extra rijstrook op een rijbaan van een autosnelweg. Spitsstroken kunnen zowel aan de linker– als aan de rechterzijde van de rijbaan zijn aangebracht. Wanneer een spitsstrook aan de rechterzijde is aangebracht gaat dit vaak ten koste van de vluchtstrook.
Om deze reden worden er dan ook vluchthavens aangebracht. Kenmerkend voor een spitsstrook is de dynamische openstelling.
Is de spitsstook gesloten (het is dan weer een vluchtstrook) dan tonen de matrixborden erboven een rood kruis. Dat betekent dat de strook niet als spitsstrook mag worden gebruikt. In geval van nood mag je deze natuurlijk wel als vluchtstrookgebruiken.

Vluchthaven of vluchtstrook.

Een vluchthaven of vluchtstrook is een weggedeelte dat door een doorgetrokken streep is afgescheiden van de doorgaande rijbaan van de autoweg of autosnelweg en dat bestemd is voor gebruik in noodgevallen.
Noodgevallen zijn o.a. een technische storing, hulpverlening en/of getuige zijn van een ongeval, bijzonder slechte weersomstandigheden, ziekte of onwel worden van inzittenden, een sanitaire stop voor ouderen en kinderen, een noodzakelijke controle van de lading en een tekort aan brandstof.

Busbaan

Een busbaan is een rijbaan waarop het woord ‘BUS’ of ‘LIJNBUS’ is aangebracht. Als op de rijbaan het woord ‘BUS’ is aangebracht, is deze rijbaan bestemd voor bestuurders van lijnbussen, andere autobussen en trams. Als op de rijbaan het woord ‘LIJNBUS’ is aangebracht, is deze rijbaan uitsluitend bestemd voor bestuurders van lijnbussen en trams.

Busstrook.

Een busstrook is een rijbaangedeelte dat door een doorgetrokken streep of een onderbroken streep van de rijbaan is afgescheiden en waarop het woord ‘BUS’ of ‘LIJNBUS’ is aangebracht. Als op deze strook het woord ‘BUS’ is aangebracht, is deze strook bestemd voor bestuurders van lijnbussen, andere autobussen en trams.
Als op deze strook het woord ‘LIJNBUS’ is aangebracht, is deze strook uitsluitend bestemd voor bestuurders van lijnbussen en trams.

Fietsstrook.

Een fietsstrook is een door doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan waarop een afbeelding van een fiets is aangebracht.
De suggestiestrook lijkt nogal op een fietsstrook. De suggestiestrook wordt behandeld in het hoofdstuk Maximumsnelheid, onder herkenbaarheid van wegtypen.

Parkeerhaven en parkeerstrook.

Een parkeerhaven of parkeerstrook is een langs de rijbaan gelegen verhard weggedeelte en is bestemd voor stilstaande of geparkeerde voertuigen.

Rijbaan.

Een rijbaan is een weggedeelte bestemd voor rijdende voertuigen met uitzonderingvan de fietspaden en de fiets/bromfietspaden.

Rijstrook.

Een rijstrook is een rijbaangedeelte dat door doorgetrokken of onderbroken strepen is gemarkeerd en zodanig breed is dat bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen daarvan gebruik kunnen maken.

Haaientanden.

Haaientanden zijn voorrangsdriehoeken op het wegdek. Haaientanden geven aan dat bestuurders voorrang moeten verlenen aan bestuurders op de kruisende weg. Voor deze kruispunten is meestal ook bord B6 geplaatst.

Verdrijvingsvlak.

Een verdrijvingsvlak is een gedeelte van de rijbaan waarop schuine strepen zijn aangebracht. Bestuurders mogen verdrijvingsvlakken niet gebruiken.

Puntstuk.

Een puntstuk is een meerhoekig vlak op het wegdek bij splitsingen of samenvoegingen van wegen, rijstroken of rijbanen. Met ‘meerhoekig‘ wordt niet alleen de bekende driehoek bedoeld, maar ook rechthoeken en trapeziumvormige stukken.
Bestuurders mogen puntstukken niet gebruiken. Rijdt u op een spitsstrook en passeert u een aansluiting, dan kan het best zijn dat u daarbij over het puntstuk moet rijden dat bij die aansluiting ligt. In dat geval mag u dat puntstuk natuurlijk welgebruiken.

Kruispunt.

Een kruispunt is een kruising of splitsing van wegen.

Dag en nacht.

Dag is de periode tussen zonsopgang en zonsondergang. Nacht is de periode tussen zonsondergang en zonsopgang. De schemering valt onder het begrip dag.

Autoweg.

Een autoweg is een weg aangeduid door bord G3. De langs deze weg gelegen parkeerplaatsen, tankstations en bushalteplaatsen maken geen deel van de autoweg uit.

Autosnelweg.

Een autosnelweg is een weg die is aangeduid door bord G1. De parkeerplaatsen, tankstations en bushalteplaatsen die langs deze weg liggen maken geen deel uit van de autosnelweg. Kenmerken van een autosnelweg zijn:
  • gescheiden rijbanen;
  • ongelijkvloerse kruisingen;
  • vluchtstrook/vluchtstroken.

Voorrang verlenen.

Voorrang verlenen is: bestuurders op de kruisende weg in staat stellen hun weg ongehinderd te vervolgen.

 

Parkeren.

Parkeren is het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen.

Geslotenverklaring.

Een geslotenverklaring is een verbod om de betrokken weg in te rijden of in te gaan alsmede de betrokken weg te gebruiken.

Overweg.

Een overweg is een kruising van een weg en een spoorweg, die wordt aangeduid door de zogeheten andreaskruisen (bord J12 of J13).

Het bevoegd gezag.

Het bevoegd gezag, ook wel ‘de wegbeheerder‘ genoemd. is de Minister van Infrastructuur en Milieu, Gedeputeerde Staten van de provincie, algemeen of dagelijks bestuur waterschap, de gemeenteraad of burgemeester en wethouders of een door de raad ingestelde commissie.

 De Wet.

De wet is de Wegenverkeerswet 1994.

Wegen (verhard/onverhard)

Wegen: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten. In principe loopt een weg in de breedte van sloot tot slooten binnen de bebouwde kom bijvoorbeeld van heg tot heg of van huis tot huis. Alles daartussen behoort tot ‘de weg’.
Een weg kan één of meer rijbanen hebben en de rijbanen kunnen op hun beurt weer zijn verdeeld in twee of meer rijstroken. De verkeersregels gelden -op enkele uitzondering na- alleen maar op die wegen, die voor het openbaar verkeer openstaan.
Een weg staat voor het openbaar verkeer open als in principe iedereen daar mag lopen of rijden. Dit geldt ook als daar bijvoorbeeld -zoals op een auto(snel)weg- alleen maar bepaalde motorvoertuigen mogen komen.
Een weg waar alleen maar bepaalde mensen gebruik van mogen maken, omdat het een eigen weg is of een weg op een afgesloten fabrieksterrein, is dan ook geen voor het openbaar verkeer openstaande weg.
MijnTheoriehalenNL-Logo

Comment Section

0 reacties op “Begripsbepalingen autotheorie

Plaats een reactie


*